Halen

Kerk HalenHalen werd voor het eerst vermeld in 741 als Halon (van het Germaanse Halhum; bocht in hoogland). In dat jaar schenkt Rotbertus, graaf van Hasbanië, de villa Halen samen met de villae Schaffen, Velpen en Meerhout en de kerk van Donk aan de Sint-Trudoabdij van Sint-Truiden. Deze villae werden rond het einde van de 7de eeuw of het begin van de 8ste eeuw opgericht door dezelfde graaf Rotbertus of zijn vader Lantbertus. Een villa strekte zich uit over een groot grondgebied met weiden, bossen, gebouwen en akkers.

In de periode tussen de 8ste eeuw en de 12de eeuw genoot Halen een vooraanstaande positie, omdat de villa Halen werd uitgekozen als hoofdvilla van de domeingroep Halen. De nederzetting steeg in deze eeuwen in aanzien en welvaart, dankzij haar gunstige ligging bij de weg Brabant-Keulen, bij de samenvloeiing van Gete, Velpe en Demer, op de grens van Brabant met Luik.

In 1189 werd de domeingroep Halen aan het bezit van de hertogen van Brabant toegevoegd en al vrij snel, in 1206, verleende Hendrik I, hertog van Brabant, Halen haar eerste vrijheden. Deze beslissing hield in dat de inwoners van Halen vrijgesteld waren van een aantal feodale verplichtingen.
Net zoals Zoutleeuw was Halen een middeleeuwse vestingstad die de verdedigingslinie vormde tegen aanvallen van het Graafschap Loon en het Prinsbisdom Luik. Het strategisch belang van de stad blijkt uit de bouw van een eerste omwalling die de stad moest beschermen. Deze werd vermoedelijk kort na 1189 opgetrokken, aangezien de stad, na het verlenen van de vrijheden, de titel oppidum (versterkte stad) toegekend kreeg. Halen werd de hoofdplaats van de meierij Halen die negentien omliggende gemeenten omvatte. Dat alles om de verbondenheid met Brabant te onderstrepen.

In 1385 kreeg de stad haar tweede omwalling met ruitvormig verloop bestaande uit een waterhoudende gracht en een ijzerzandstenen stadsmuur. Er waren 3 poorten: ten westen de Diesterpoort, ten oosten de Luikerpoort en ten noorden de Koepoort/Kempense Poort. De blekerijen lagen aan de wallen. De oppervlakte van de omwalde stadskern bedroeg toen ca. 11,2 ha. Na verwoestingen in 1567 en 1572 door Hollandse en Spaanse troepen werden pas in 1706 herstellingswerken uitgevoerd, de twee poorten werden tussen 1769-1780 heropgebouwd.

Halen kende in de 13de–15de eeuw een bloeiende lakenhandel. Op de locatie van het huidige stadhuis stond in de middeleeuwen de lakenhal. Er was in 1368 zelfs al een wisselkantoor: een bewijs van Halen als belangrijk handelscentrum. Halen had florerende markten. Het voorrecht tot het houden van markten werd in een oorkonde van 1385 door hertogin Johanna van Brabant bekrachtigd. In die periode was Halen een overslagplaats waar de lading van de grotere binnenvaartschepen werd overgeladen op kleinere binnenvaartschepen die als bestemming Zoutleeuw, Tienen of Sint-Truiden hadden.

De gotische parochiekerk Sint-Pieter-in-Banden met ommuurd kerkhof stamt ook uit deze bloeiperiode. Het patrocinium Sint-Pieters wijst echter op een vroegmiddeleeuwse oorsprong. De oudste vermelding van de kerk in Halen stamt uit 1107. Het gotische kerkgebouw moet zeker een voorganger hebben gehad. Het begijnhof lag achter de kerk, aan de Velpe.

De wissel- en lakenhandel gingen ten onder bij verwoestingen van de stad in de 15de en 16de eeuw. Die verwoestingen bestonden onder meer uit het platbranden van huizen, kerk en andere publieke plaatsen. Bovendien werd de stad regelmatig getroffen door epidemieën, zoals de pest, en overstromingen van Demer, Gete, Velpe en andere beken die in het Halensbroek samenkomen.

Ondanks een kleine economische heropleving in de 17de eeuw kon Halen zijn laatmiddeleeuwse bloeiperiode niet meer evenaren. Het stadje bleef een landelijk karakter behouden waarvan de stadsboerderijen die in de 18de en 19de eeuw in het stadscentrum werden opgericht, getuigen zijn.
Op een plattegrond van de stad uit ca. 1702 is de omwalling met drie stadspoorten rond de middeleeuwse woonkern nog altijd duidelijk zichtbaar. De omwalling liep in het noordoosten naast de Velpe en het noordwesten langs de IJzerenbeek. De Luikerpoort was gelegen aan het kruispunt van de omwalling en de Velpe.

In de tweede helft van de 18de eeuw en aan het begin van de 19de eeuw stond Halen achtereenvolgens onder Frans en Hollands bewind. De stad werd in 1798 bij het Departement van de Neder-Maas (de latere provincie Limburg) gevoegd en bloeide enkele jaren later, onder Hollands gezag, stilaan opnieuw op. Om meer plaats te creëren, brak men in 1823 de Luiker- en Diesterpoort af. In 1839 werd de steenweg Hasselt-Diest in gebruik genomen. In 1878 reden de eerste treinen op de spoorweg tussen Diest en Tienen en in 1905 werd de tramlijn Halen-Hasselt ingehuldigd.

Vanaf de 20ste eeuw vinden er ingrijpende veranderingen plaats in het stadje en haar omgeving. De Velpe werd gekanaliseerd en het moerassig gebied rond de Velpe werd opgehoogd. Op deze terreinen kwam een sportcentrum. In het noorden werd de expresweg Diest-Hasselt aangelegd. Ten zuidwesten en -oosten van de oude stadskern werden woonwijken aangelegd. De middeleeuwse stadsstructuur van Halen is niet of nauwelijks nog herkenbaar in de huidige ruimtelijke structuur van de binnenstad.

De Wereldoorlogen hebben ook in Halen hun sporen nagelaten. De Slag der Zilveren Helmen is één van de memorabele veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog, uitgevochten in augustus 1914. De veldslag is de geschiedenis ingegaan als de enige Belgische overwinning uit die oorlog die zonder hulp van de geallieerden op de Duitse troepen werd behaald. Op 10 augustus 1924 huldigde koning Albert I een ruiterstandbeeld in op de markt, ter ere van de Belgische gesneuvelde soldaten. Dit wapenfeit wordt nog ieder jaar plechtig en met militair eerbetoon herdacht.

Ook de Tweede Wereldoorlog liet zijn sporen na. Zo werd de brug over de Velpe in de Nederstraat bij de doortocht van de Duitse troepen opgeblazen.

Bron
Agentschap Onroerend Erfgoed 2017: Historische stadskern van Halen [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/140194 (geraadpleegd op 22 oktober 2018).


Contactinformatie